Vandaag verschijnt De atlas van het dialect in Nederland, een boek waarin Kristel Doreleijers samen met andere taalwetenschappers verschillende accenten en dialecten in Nederland onder de loep neemt. Als onderzoeksgebied is het dialect dus springlevend, maar op de campus valt maar zelden een regionale tongval te horen.
Altijd al willen weten waarom een Groninger afscheid neemt met moi en een Brabander met houdoe? Of waar het verschil tussen patat en friet vandaan komt? In De atlas van het dialect in Nederland, waar taalwetenschapper Kristel Doreleijers aan meeschreef, komt het allemaal aan bod. Maar waar er in het land een veelvoud aan regionale accenten valt te ontdekken, is daar aan de universiteit maar weinig van te merken.
Het lijkt soms of er op de UvA geen plek is voor regionale accenten. Klopt dat, denk je?
‘Ja, dat denk ik wel. Dat past in een patroon dat we al langer zien op universiteiten, en heeft te maken met een aantal maatschappelijke ontwikkelingen die ervoor hebben gezorgd dat het dialect in het verdomhoekje is geraakt.’
‘Vroeger sprak iedereen een dialect. Pas vanaf de zestiende eeuw is de gemeenschappelijke standaardtaal ontstaan. Randstedelijke dialecten stonden aan de basis van die standaardtaal. Daarom wordt ook nu nog gezegd dat mensen uit de omgeving van een stad als Haarlem het “ABN” (Algemeen Beschaafd Nederlands) het meest benaderen. Maar die “B” impliceert tegelijkertijd ook dat andere regionale dialecten niet beschaafd zouden zijn. Over de sprekers daarvan bestaan dan ook zeer hardnekkige vooroordelen. Zo worden zij dommer of boerser gevonden. Daardoor staat het hebben van een dialect haaks op het beeld dat mensen hebben van een universiteit als intellectuele omgeving.’
De ligging van de UvA in de Randstad speelt hierbij dus wel een rol?
‘De Randstad heeft sowieso een soort superioriteitsimago, en heeft als basis voor het gestandaardiseerde Nederlands inderdaad een unieke positie. Ik heb hier geen onderzoek naar gedaan, maar ik kan me zeker wel voorstellen dat er bijvoorbeeld in Tilburg meer ruimte is voor de regionale tongval dan in Amsterdam. Ik heb daar op de campus veel Brabantse accenten gehoord, dat is hier in Amsterdam echt minder.’
Hier overheerst het studentenaccent, met als bekendste karakteristiek de Gooise -r.
‘Ja, maar dat is niets nieuws. De opkomst van de studententaal is al zichtbaar vanaf het einde van de negentiende eeuw. Wanneer studenten van allerlei verschillende regionale achtergronden op een universiteit bij elkaar komen, gaan ze op zoek naar een gemeenschappelijke taal. Dat noemen we een sociolect: een eigen manier van praten die bij een bepaalde groepscultuur hoort. In zo’n omgeving kan vasthouden aan je Brabantse, Limburgse of Twentse accent ervoor zorgen dat je een vreemde eend in de bijt bent. Hoe je praat zegt iets over wie je bent en waar je bij wil horen.’
Gaat dat afleren van een accent dan bewust?
‘Dat gaat deels automatisch, maar je hebt er ook wel zelf zeggenschap over. Voor mijn onderzoek heb ik jongeren gesproken die zeggen bewust hun tongval te verbergen wanneer ze naar de universiteit gaan, maar thuis nog wel met een accent praten. Taal kan echt heel uitsluitend werken; als je net de verkeerde toon aanslaat kan je buiten de boot vallen. Jongeren zitten ook nog in een fase van hun persoonlijke ontwikkeling waarin ze heel erg zoekende zijn waar ze bij horen. Ze zijn dus heel flexibel in het aanpassen van hun taalgebruik. Zelf merk ik juist dat ik het in me heb om me onbewust aan te passen, dan hoor ik mezelf ineens ook een soort Gooise -r gebruiken.’
Waarom hoort die Gooise -r eigenlijk zo bij de studententaal?
‘Dat heeft met sociale klasse te maken, dat je bij een hogere, intellectuele laag wil horen. Aan het Gooise accent kleven associaties van rijkdom en hoogopgeleid zijn. Daarom klinkt dat kakkerige door in de studententaal. Tegelijkertijd is dat taaltje ook heel speels, met eufemismen als “feut” (nieuw lid van een studentenvereniging) en “grondpizza” (plas kots op de grond), en afkortingen als “biba” (bitterbal) en “hdp” (heerlie de peerlie). Dat komt allemaal terug in de “Anne-Fleur” en “Marie-Claire”-typetjes.’
Kristel Doreleijers is postdoctoraal onderzoeker aan het Meertens Instituut, waar ze onderzoek doet naar jongerentaal en straattaal. Samen met drie collega-taalkundigen schreef ze mee aan De atlas van het dialect in Nederland (uitgeverij Lannoo). Het boek is vanaf vandaag te koop.
Wordt er nu anders naar accenten gekeken dan pakweg twintig jaar geleden?
‘Daar zit wel een ontwikkeling in. Vooral de laatste jaren heb ik het idee dat er een heropleving van het dialect gaande is, vooral in cultuuruitingen. Zo zien we dat er vaker in streektaal wordt gezongen en staan er dialectinfluencers op die de kar trekken en online het dialect weer hip proberen te maken, zoals TikTok Tammo uit Groningen.’
Kunnen we dan ook op de universiteit een opleving van regionale accenten verwachten?
‘Dat zou kunnen, maar ik verwacht niet dat we bij de koffieautomaten ineens weer allemaal dialect gaan praten. Misschien dat het accent of een paar dialectwoorden wel wat vaker als stijlmiddel worden ingezet, om te laten horen waar je vandaan komt. Zo kan je met een grapje of door even de nadruk te leggen op een bepaald woord je identiteit laten zien.’
Zou er voor de UvA een rol zijn weggelegd in het behouden van het Amsterdams dialect?
‘Dat denk ik wel, al is het alleen maar om het bewustzijn van dergelijke taalvariaties te vergroten. Het zou bijvoorbeeld tof zijn als er universiteitsbreed een vak over Amsterdams dialect zou bestaan, omdat die regionale taal en cultuur een wezenlijk onderdeel zijn van de plek waar je studeert. Door zo’n vak aan te bieden laat je zien dat het dialect een serieus onderwerp is, waar je ook echt onderzoek naar kan doen. Of roep studenten aan de UvA op om te stemmen op het mooiste Amsterdamse woord. Taal is een sociaal middel, dat moeten we niet uit het oog verliezen. Daarom is het goed om accenten meer plek en zichtbaarheid te geven, ook op de universiteit.’